Lezingen Marc Terreur
Marc Terreur geeft meerdere soorten lezingen. Er is altijd ruimte voor vragen en meestal ook voor actieve inbreng van het publiek.
De laatste Avocardo — voor OKAN-klassen (1 of 2 lesuren)
In ‘De laatste Avocardo’ legt een jong doof meisje diep in het oerwoud contact met een onbekende plantensoort. Tegelijk strijdt ze samen met haar vader tegen de Clan, een organisatie die het woud vernielt uit winstbejag.
Dit kortverhaal werd begin 2024 door Wablieft verspreid in alle Vlaamse scholen, als deel van het boek ‘Waar is de hond?’. Is het boek niet voorhanden? Dan kun je hieronder een pdf downloaden.
Wablieft creëerde ook prima lesmateriaal (zie link) waarmee je als leerkracht vooraf aan de slag kunt gaan.
Doel: OKAN-leerlingen uitdagen om ondanks hun beperkte kennis van het Nederlands toch uitdrukking te geven aan ideeën, ervaringen en gevoelens. Interesse wekken voor het lezen van andere teksten — proza en/of poëzie. Twee lesuren beschikbaar? Dan vult Marc aan met eenvoudige klimaatgedichten (bv. 'De mens Sebastiaan' van Gaea Schoeters) en een bijpassende doe-opdracht.
Voorbereiding: Voor een goed verloop van de lezing heeft de leerkracht vooraf het verhaal al met de leerlingen doorgenomen; ze kennen de plot en de woordenschat.
Inhoud: Marc leest korte fragmenten voor als aanknopingspunt. Daarna stelt hij vragen. Aansluitend volgen eventueel de klimaatgedichten en de doe-opdracht. Enkele voorbeelden:
Weet jij al wat je later wil worden? (N.a.v. het fragment Beroepenweek op school: Marga wil redder van de wereld worden.)
Hoe heeft de dam de omgeving veranderd? Wat gebeurde er toen met de boeren? (fragment: Marga mag mee naar de markt, met haar opa die avocado-boer is. Tot de Clan de dam laat bouwen.)
Marga is doof geboren. Hoe kan zij met anderen praten? En met de Avocardo? Waarom heeft het verhaal een dove hoofdpersoon? (In het bos vindt Marga de laatste Avocardo. Ze ontdekt dat ze met deze vreemde plant kan communiceren — zonder te praten, en zonder haar hoorapparaat.)
Doe-opdracht: “Probeer nu zelf een gedicht te maken. Dat kan een klimaatgedicht zijn; het mag over jezelf gaan; of over het verhaal van Marga. Het hoeft niet lang of ingewikkeld te zijn, en het hoeft ook niet te rijmen, al mag dat natuurlijk wel.”
Marc geeft een simpel voorbeeld.
Tot slot leest iedereen zijn gedicht voor en is er ruimte voor commentaar.
Leesbevorderend karakter: Een verhaal dat zich afspeelt in een mogelijk herkenbaar kader, met fantastische elementen en een vleugje spanning, kan de leerlingen warm maken om méér dergelijke boeken te lezen. Dat betekent: verhalen die passen bij hun leeftijd, verteld in eenvoudige en toch rijke taal — zoals de andere boeken uit de Wablieftreeks. Deze insteek heeft meer kans van slagen dan het aanbieden van kinderverhalen, die deze jongeren inhoudelijk zijn ontgroeid.
Haas Halfweg en het Boek van Alles — lagere scholen, jeugdbibliotheken
Haas heeft nog nooit iets afgemaakt: wat hij ook probeert, hij raakt niet verder dan halfweg. Weet Boekie Beer misschien raad? Die heeft massa’s verhalen geschreven, dus als iemand Haas kan leren hoe je iets afwerkt, dan Beer wel. Al snel worden ze beste vrienden. Haas mag zelfs het Boek van Alles lezen, ook al is Beer daar nog lang niet mee klaar! Maar dan gebeurt het. Eén moment niet opgelet, en de vriendschap ligt aan diggelen. Of is er meer aan de hand? Met Boekie weet je nooit.
Doel: Kinderen laten ontdekken hoe een verhaal ‘werkt’ en stimuleren om zelf creatief te schrijven.
Duurtijd: Twee lesuren.
Voorbereiding: De leerkracht heeft vooraf het verhaal al eens met de leerlingen doorgenomen en eventueel kort besproken.
Inhoud: Marc leest korte fragmenten voor als aanknopingspunt.
Haas ontdekt dat de slakken het Boek van Alles hebben vernield.
Boze Boekie Beer wil Haas Halfweg nóóit meer zien!
Haas is nu een succesvol schrijver geworden en keert terug naar het berenhol. Wat vreemd: Boekie blijkt helemaal niet boos.
Wat zorgt ervoor dat je wil verder lezen? Marc probeert zoveel mogelijk de kinderen zelf antwoorden te laten geven en noteert deze op het bord of flip-over. Op het eind moeten de volgende elementen daar zeker tussen staan:
Als alles zijn gangetje gaat, heb je geen verhaal. Er moet zich een ‘grote gebeurtenis’ voordoen (meerdere mag ook).
Hierdoor staat de hoofdpersoon plots voor een uitdaging, en de inzet is hoog! Vaak helpt hierbij een ‘tikkende klok’ in het verhaal: er moet iets gebeuren ‘voor het te laat is’.
De oplossing mag niet te eenvoudig of voor de hand liggend zijn. De lezer wil verrast worden.
De leerkracht verdeelt de klas nu in kleine groepjes. HAZEN bedenken een eigen avontuur voor Halfweg. BEREN doen hetzelfde voor Boekie. De groepjes mogen zelf bepalen waar hun hoofdrolspeler naartoe gaat, wie hij ontmoet en wat er gebeurt.
Zowel Marc als de leerkracht wandelt rond en stuurt bij waar nodig, zodat de groepjes niet vastlopen.
HAZEN en BEREN stellen hun verhaal kort voor aan de klas. Daar hoort natuurlijk ook een tekening bij! Het avontuur hoeft niet woord voor woord uitgeschreven te zijn, maar de verschillende stappen in het verhaal staan wel op papier, zodat de verteller de weg niet verliest. In het midden van elke presentatie gebeurt er een wissel: een ander groepslid mag vertellen hoe het verhaal afloopt.
Tijd voor slotvragen. “Vond je het moeilijk om een verhaal te bedenken? Zat je onderweg weleens vast? Maakte samenwerken het dan gemakkelijker of vond je dat net lastig? Hoe voelde je je toen het begon te lukken? Heb je iets in het verhaal gestopt dat je zelf al had beleefd? Denk je dat je nog meer verhalen gaat schrijven hierna? Wie van jullie houdt er een dagboek bij?”
Terreuralarm. (Ge)dichten met het vuur aan de lont — jongeren of volwassenen
Bij de aanvraag van een lezing worden de doelstellingen besproken in onderling overleg. Bij jongeren is de verwachte duurtijd twee lesuren. Bij volwassenen kan dit variëren, afhankelijk van het publiek.
Volwassenen: Poëzieliefhebbers vragen doorgaans weinig meer dan het voordragen van de gedichten, aangevuld met wat duiding. Marc legt uit wat de aanleiding was om een bepaalde tekst te schrijven, wat hij ermee wou bereiken, hoe hij zich verhoudt tot zijn publiek en de bredere samenleving.
Hij zoomt in op zijn voornaamste inspiratiebronnen: de intimiteit van het individuele zoeken, maar ook en vooral: het grote rumoer in de wereld.
Hij vult aan met verwijzingen naar werk van andere dichters uit de Nederlandstalige of wereldliteratuur (zoals zijn vertaling van 'The Second Coming' van W.B. Yeats).
Her en der gaat hij in op de door hem gebruikte technieken, in functie van het beoogde resultaat of het gevoel dat hij bij de lezer wenste op te roepen.
Hij vertelt ook hoe, en door wiens toedoen, zijn gedichten zijn geëvolueerd sinds hij begon als dichter.
Jongeren: Er mag wat meer energie stromen. Tijdens het eerste deel legt Marc uit hoe je met ritme, rijm, alliteratie … woorden kunt laten dansen. Dat illustreert hij met gedichten uit eigen en andermans repertoire. En ja, ook een Nederlandstalige raptekst kan prima demonstratiemateriaal zijn! Marc verwijst naar Brihang, Tourist LeMC, iRRi & Hugo …
Hierna gaan de jongeren zelf met slam aan het werk. Dat kan in kleine groepjes van drie tot maximaal vijf personen, rond een thema dat ze zelf mogen kiezen. Natuurlijk geeft Marc tips en bijsturing, waar en indien nodig. Maar eerst nemen we een beat op! Hiervoor gebruiken we onze stem, ons lichaam, voorwerpen die toevallig voorhanden zijn … Die lagen gaan we stapelen met een phrase sampler, meegebracht door de auteur zelf.
Marc speelt de beat met tussenpozen af, zodat de jongeren kunnen checken of hun zinnen mooi in het ritme passen. Als je struikelt over lettergrepen is het beter om te schrappen! Zo schrijft elk groepje een eigen slam. Wie neemt de micro om het resultaat voor de klas te brengen?
(Het spreekt vanzelf dat ook volwassenen voor deze laatste benadering kunnen kiezen. Dat zal mede afhankelijk zijn van het soort locatie waar de lezing doorgaat.)

